Instaptoets Uitdrukkingen en woordenschat 

Met deze instaptoets kun je bepalen welke oefen cd-roms uit de serie Nederlands als tweede taal voor jou het meest
geschikt zijn. De Beginners cd-rom of de Gevorderden cd-rom.

Je kunt het deel Uitdrukkingen en woordenschat ook gratis online oefenen.



Deze toets bestaat uit 3 oefeningen. Elke oefening heeft 10 vragen.
Lees steeds goed de vraag en kies dan het juiste antwoord
Veel succes!


Oefening 1 - Welk woord hoort bij deze uitdrukking?

1. Mijn broer woont ... kamers.
in
op
bij


2. Hij gaat meteen ... de slag.
aan
bij
met


3. Zij praat ... één stuk door.
met
aan
langs


4. Hij is ... adem.
in
boven
buiten


5. Hij heeft geen moeite ... lezen.
op
om
met


6. Hij rekent niet ... ons.
op
in
met


7. Zij vraagt niet ... ons.
na
naar
van


8. Daar wil hij een nachtje ... slapen.
over
aan
door


9. Hij houdt alles ... zich.
op
uit
voor


10. Jan heeft recht ... een uitkering.
op
met
aan




Oefening 2 - Wat betekent deze deze uitdrukking?

11. Al doende leert men.
Door het te doen, leer je het vanzelf.
Door het te leren, doe je het vanzelf.
Doe maar iets.


12. Daar ben ik echt aan toe.
Daar luister ik wel naar.
Mijn oren zijn te groot.
Daar heb ik echt zin in.


13. Daar heeft u gelijk in.
Wat u zegt is waar.
Daar kunt u gelijk naar binnen.
Daar moet u gelijk betalen.


14. Daar moet ik een nachtje over slapen.
Ik heb niet goed geslapen.
Daar moet ik nog eens over nadenken.
Ik moet nog lang slapen.


15. Daar staat onze docent van te kijken.
Onze docent is er verbaasd over.
Onze docent kijkt daar naar.
Onze docent kijkt dat niet na.


16. Daar vind ik niets aan.
Ik weet niet waar ik ben.
Ik ken dat woord niet.
Dat vind ik niet leuk.


17. Daar weet ik geen raad mee.
Ik weet niet wat ik in die situatie moet doen.
Ik ken dat woord niet.
Ik weet niet waar ik ben.


18. Dat doet er niet toe.
Dat is niet belangrijk
Dat doet hij nooit.
Dat weet ik niet.

19. Dat doet Fatiha per ongeluk.
Dat doet Fatiha niet goed.
Fatiha krijgt een ongeluk.
Dat doet Fatiha zonder erbij na te denken.


20. Dat grapje loopt uit de hand.
Dat grapje gaat over een hand.
Dat grapje is niet leuk meer.
Dat grapje is om te lachen.



Oefening 3 - Vul het juiste woord in

21. ... betekent niet spreken.
- Zacht
- Zwijgen
- Fluisteren



22. ... denkt dat het gaat regenen.
- Ik
- Jullie
- Men



23. ... en fruit zijn gezond.
- Eten
- Groente
- Chips



24. ... gaat de zon schijnen.
- Vanmiddag
- Vannacht
- Veranderd



25. ... gebruik je om te wassen.
- Borstel
- Doek
- Zeep



26. ... ik jouw boek even lenen?
- Zal
- Moet
- Mag



27. ... is er aan de hand?
- Waarom
- Waar
- Wat



28. ... jaar kwam ik naar Nederland.
- Vorig
- Volgend
- Volgens



29. ... kom ik je helpen.
- Nergens
- Natuurlijk
- Niets



30. ... meneer, mag ik er even bij?
- Stop
- Pardon
- Natuurlijk




Dit waren alle vragen. Vul nu de gegevens hieronder in.
Klik daarna op de knop 'Toets afronden' om het resultaat te zien.


Gegevens deelnemer
Voor en achternaam:
Leeftijd:
E-mail adres:
Toets datum:

Wat vond je van deze toets?